Ontstaan

Twee beroepsgroepen zijn in ons land gekwalificeerd om uitneembare gebitsprothesen aan te meten: tandprothetici en tandartsen.

De vervanging van verloren gegane of ontbrekende gebitselementen. Dat is waar het beroep tandprotheticus op is gericht. Door uitneembare gebitsprotheses aan te meten, is de tandprotheticus in staat de functies van het natuurlijke gebit te herstellen. Te denken valt aan het vermalen van voedsel, maar ook aan verbetering van het spraakvermogen en uiterlijk.

Tandmeester

Vervanging van gebitselementen door gebitsprothesen heeft een eeuwenlange historie. Zo kende ons land in de negentiende eeuw het beroep van tandmeester. Hij werd gezien als een tandtechnicus aan wie de beperkte tandprothese was toevertrouwd. Destijds gold een onderscheid tussen technisch-mechanische zaken en heelkundige aspecten van de beroepsuitoefening. Vervaardiging van een tandprothese werd dus niet tot de tandheelkunst gerekend. Dat veranderde in 1876. Vanaf dat moment werd de toepassing van de tandprothese als onderdeel van de tandheelkunst beschouwd.

Niet zelfstandig in de mond

Sinds 1913 kent Nederland de titel ‘tandarts’. In dit jaar werd de toepassing van de tandprothese aan de bevoegdheid van deze nieuwe officiële beroepsgroep toegevoegd. Een aantal tandtechnici voelde zich gedupeerd, omdat zij niet langer vrij hun beroep konden uitoefenen. Nog eind jaren zestig adviseerde de Centrale Raad voor de Volksgezondheid aan de Tweede Kamer de tandtechnicus niet de bevoegdheid toe te kennen zelfstandig in de mond te werken en afdrukken te maken.

Het argument: tandtechnici misten daarvoor de vereiste opleiding.  Afdrukken maken was geen op zichzelf staande zaak en geen zuiver technische aangelegenheid. De prothetische tandheelkunde was volgens de raad geen ambacht, maar een onafscheidelijk deel van de tandheelkunde, waarvoor een medisch-biologische academische opleiding nodig was. De prothetische tandheelkunde kon volgens haar derhalve niet worden overgelaten aan mensen die slechts een technische opleiding hadden genoten en een ambacht uitoefenden.

Wettelijke status tandprotheticus

De Tweede Kamer nam dit standpunt niet over en drong aan op een wettelijke regeling van het beroep van tandprotheticus. Het parlement stelde dat de tandtechnicus moest worden gezien als iemand die geen directe relatie heeft met de patiënt en die niet ‘in de mond werkzaam’ is. Maar voor de tandprotheticus geldt dit wél.

Dit resulteerde in 1989 in de Wet op de tandprotheticus. Daarmee kreeg de tandprothetische zorg voor tandeloze patiënten een afzonderlijke wettelijke basis. Het aanmeten, passen en plaatsen van de volledige gebitsprothese maakte niet langer deel uit van de tandheelkunde. Zowel tandartsen als tandprothetici waren voortaan op grond van hun opleiding als ter zake kundig gekwalificeerd op het gebied van het aanmeten van uitneembare gebitsprothesen.

Dit geldt ook sinds met de invoering van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) in 1997 de Wet op de Tandprotheticus is vervallen. In de Wet BIG is ook het beroep tandprotheticus officieel geregeld.